Aan dit plankje zat een lang touw (de loglijn) waar op regelmatige afstanden knopen waren aangebracht. De kapiteins van de schepen gooiden het houten gewichtje overboord zodra het schip begon te varen en daarna keken ze hoeveel knopen binnen een kwart of halve minuut overboord waren verdwenen. De tijd werd met een zandloper gemeten. Op die manier kon men berekenen welke afstand het schip in een etmaal had afgelegd. Op de Nederlandse schepen, waaronder die van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, werd de log relatief laat ingevoerd.